
Hij tekent en tekent. Acrylstiften deze dagen. Vorige week veel pen en fineliner. Muziek op de koptelefoon, lange jongensharen, grote capuchontrui. Af en toe komt hij me wat laten zien. Monsters, wapens, graffity, fantasy. Tien jaar, klein en groot tegelijk, tussen servet en tafellaken.
Zijn broer maakt huiswerk, boven. Dertien alweer, voeten groter dan de mijne, hij groeit terwijl je naar hem kijkt. Met de regelmaat van de klok naar beneden voor wat te eten. Altijd honger, in eten en in gezelligheid.
Frisgewaaid uit school, rode wangen, koude handen, moe. Voederen en verder laten. Na even komt er af en toe een verhaal, een belevenis. Hun eigen gang, eigen vrienden, eigen leven, steeds meer. Maar altijd blij om thuis te komen.
Altijd blij ze weer te zien ook. De dagen zijn lang en de jaren kort, dat laatste begint voelbaar te worden. Wat een feest, en voorrecht, om ze te mogen zien opgroeien.
Ik hang op de bank met een boek, een dekentje en een restje griep. De katten slapen naast me. Ook mijn ogen vallen af en toe dicht. Moet denken aan de tijd dat ze als peuter met de verbandtrommel wilden spelen, ik was graag patiënt, zodat ik even met mijn ogen dicht op de bank kon liggen. Nog heel even, oké? Nog één pleistertje erbij. De dagen zijn lang en de jaren kort.
Buiten is het februarikoud. Berijpte witte wereld elke ochtend. Binnen is het warm. Het is stil in huis, maar het is een rijke stilte.
De klok tikt zachtjes door.
Ook hiervoor schrijf ik. Om momenten te bewaren, om mezelf en anderen te blijven uitnodigen het grootse in het kleine te zien.

